Kerstverhaal
Laatst aangepast op vrijdag, 23 december 2011 13:28
Hij kwam binnen in de pastorie aan de Stationsstraat, uitgeblust, met een doffe blik in zijn ogen, hij was opgebrand. Hij had zich met moeite voortgesleept van Omnizorg naar hier om te praten over de kerstviering op Tweede Kerstdag. Maar hij had er geen zin in, het hoeft voor hem niet meer, het verhaal met Kerstmis, het leven. Alles is te veel, alles is al gedaan en er is niets nieuws aan toe te voegen. Hij had de afgelopen twee jaar een kerstverhaal verteld in Omnizorg voor de thuislozen en verslaafden. Maar dit jaar heeft hij daar geen zin meer in. Er ging een groot gevoel van onvrede van hem uit, zijn kaarsje was opgebrand, hij wachtte op de dood. Zijn leven was net zo grijs geworden als zijn onverzorgde baard. Ik vertelde dat er niets hoeft, dat als hij het verhaal niet zou lezen, ik dat wel zou doen, maar ik vroeg hem om naar het verhaal te luisteren wat ik gevonden had en las het hem voor:
In een arme wijk van het stadje Concordia in Brazilië is het gebruikelijk dat zes, zeven families regelmatig een avond samenkomen. Steeds nodigt een van de families de andere uit, elk op haar beurt. Zo’n avond wordt door de gastheer geopend waarbij hij een verhaal vertelt. Daarna volgt een lezing over een vergelijkbaar thema uit de Bijbel en wisselen ze hun eigen ervaringen uit. Allang tevoren hadden zij zich voorgenomen om de voorbereiding op het kerstfeest deze keer een bijzondere inhoud te geven. Bij allen groeide de wens het niet alleen bij woorden te laten...
Vanavond komen ze samen. De meesten zijn buren van elkaar. In het huis van de familie die hen heeft uitgenodigd, vullen zij samen al snel de grote kamer.
Buiten is het al donker. Binnen worden één voor één de lampen uitgedaan. De mensen wachten. Dan duiken uit het duister vier kinderen op. Ze hebben ieder een brandende kaars in de hand. Het is stil, heel stil. De stilte werkt beklemmend. De vlammen van de vier kaarsen verspreiden een zacht licht.
Plotseling maakt een van de kaarsen zich los van de ander. Het beweegt in de richting van de op elkaar gepropte mensen. De vlam flakkert, licht en schaduw wisselen elkaar af in het gezichtje van het kind. Het houdt aan de mensen een kaars voor en zegt: “Ik draag het licht van het vertrouwen!” Hard en afwijzend klinkt een stem vanuit de duisternis. “Wie spreekt hier van vertrouwen? De hele dag door krijg ik leugens te horen. Leugens verstoren het vertrouwen. Zij snijden de onderlinge verhoudingen tussen mensen kapot. Blaas het vuur alsjeblieft uit. Anders wordt het ook nog tot leugen.” Het kind gehoorzaamt. De wereld heeft een lichtje minder.
Nu zet het tweede kind een stap naar voren. Het stelt zich voor: “Dit is het licht van de vreugde!” De reactie komt van verschillende hoeken tegelijk. “Vreugde... vreugde, zeg je, waar honderdduizenden hongeren, honderdduizenden onrechtvaardig behandeld worden? Rammelende magen, werkloosheid, ze smoren alle vreugde in de mens. Doe het uit, dat licht. Want wij, wij voelen geen vreugde.” En weer is een licht minder op deze wereld.
Nu waagt ook het volgende kind zich uit het donker naar voren. Met angst in haar stem zegt ze onzeker: “Ik draag het licht van de vrede.” Als uit één mond klinkt het, bijna dreigend, van alle kanten: “Vrede? We hebben niet eens vrede met onszelf en nog minder met onze naasten. Weg met dat licht, er is geen vrede op aarde.” Het derde licht dooft.
Nog één licht blijft er over. Een zwak licht. Het laatste. Het kleine meisje houdt haar hand als een schild, beschermend, voor het licht van de laatste kaars. Langzaam, stap voor stap, nadert zij de aanwezigen. Vlak voor hen blijft ze staan. De mensen durven nauwelijks nog adem te halen. In deze stilte klinkt de stem van het meisje zacht, maar zeker: “Ik ben het licht van de hoop.”
Niemand spreekt haar tegen. Niemand vraagt het licht te doven. Allen staren gefascineerd in de vlam, die in al haar nietigheid de duisternis doorbreekt. Ze nemen het licht als het ware in zich op, vertwijfeld bijna, want ze voelen maar al te goed dat dit het enig overgebleven licht is. Het licht van de hoop als basis voor het vertrouwen, voor de vreugde, voor de vrede. Het is hun allen duidelijk dat, als dit licht ook nog uitgaat, alles donker wordt.
‘Wauw!’ zei de man uit Omnizorg, ‘wat een mooi verhaal, het past precies bij hoe ik mij Kerstverhaal voel’. Tijdens het vertellen van dit verhaal kwam hij weer tot leven, er kwam weer vuur in zijn ogen. Hij ging op het puntje van zijn stoel zitten en luisterde met volle aandacht. “Dit verhaal wil ik wel lezen, daar wil ik mij wel voor inzetten”. Er was weer een beetje hoop geboren in hem, dit gaf hem weer een zin in zijn bestaan. We kijken uit naar het moment dat hij dit verhaal gaat vertellen in de duisternis van de stal van Omnizorg, en bidden dat daar ook het licht van de hoop mag blijven branden.
diaken Ronald Dashorst




